
Door Paul Korenhof
(Aangezien met uitzondering van koning Heinrich der Vogler in deze opera geen historische personages optreden, is zowel in de toelichting als in de synopsis gekozen voor de door Wagner gehanteerde Duitse benamingen.)
Eerste bedrijf - Aan de oever van de Schelde, bij de gerechtseik
De Duitse koning Heinrich I (876-936), bijgenaamd ‘der Vogler’ (vogelaar of vogelvanger) is naar Brabant gekomen om steun te verwerven voor zijn veldtocht tegen de Hongaren, die na een bestand van negen jaren opnieuw zijn rijk zijn binnengevallen. Tot zijn ontzetting is dit leengewest na de dood van de hertog van Brabant ten prooi gevallen aan tweedracht en verwarring, en op zijn verzoek geeft de graaf van Telramund hiervoor een verklaring (‘Dank, König, dir, daβ du hier zu rechten kamst!’). Vóór zijn dood had de hertog von Brabant zijn beide kinderen toevertrouwd aan de zorgen van Telramund, zijn naaste mannelijke bloedverwant, en hem toestemming gegeven voor een huwelijk met Elsa zodra deze daarvoor de leeftijd zou hebben. Toen Elsa ooit na een wandeling alleen uit het bos terugkeerde en geen verklaring kon geven voor de verdwijning van haar broertje, trok Telramund daaruit echter de conclusie dat zij schuldig was aan Gottfrieds verdwijning. Uit ontzetting zag hij daarna af van zijn voorgenomen huwelijk - en daarmee van zijn directe aanspraken op de hertogelijke titel. In haar plaats nam hij Ortrud, de dochter van Friese koning Radbod tot echtgenote.
Nu de koning zelf naar Brabant gekomen is om recht te spreken, beschuldigt hij Elsa officieel van moord op haar broertje en bepleit hij zijn eigen aanspraken op het hertogdom van Brabant. Niet alleen is hij na de dood van Gottfried in mannelijke lijn de naaste verwant van de overleden hertog, maar bovendien stamt zijn echtgenote uit het geslacht dat ooit ook het gewest Brabant zijn vorsten geschonken had. Hij suggereert bovendien dat Elsa tot haar daad gekomen is om zelf het recht op erfopvolging te verwerven, waarna een man van haar eigen keuze zowel haar echtgenoot als de nieuwe hertog van Brabant zou worden.
Ontsteld hangt de koning zijn schild aan de eik en verklaart dat hij niet zal rusten eer recht is geschied. Zowel de Saksische als de Brabantse edelen ontbloten daarop symbolisch hun zwaarden en de Heerrufer ontbiedt Elsa, die in een eenvoudig wit gewaad naderbij komt. Op de vragen van de koning antwoordt zij aanvankelijk slechts ‘Mijn arme broer,’ maar uiteindelijk vertelt zij een droom over een ridder in een stralende wapenrusting die haar te hulp zal komen (‘Einsam in trüben Tagen’). Vrijwel iedereen is ontroerd door haar optreden, maar Telramund ziet in dit verhaal een verwijzing naar een geheime minnaar (‘Mich irret nicht ihr träumerischer Mut’). De koning moet nu wel besluiten tot een ‘godsgericht’, waarbij een edele het uit naam van Elsa op leven en dood tegen Telramund zal moeten opnemen, maar op zijn vraag wie die edele zal moeten zijn, blijft Elsa het antwoord schuldig. Zij is er echter van overtuigd dat hij zal komen en bevlogen verklaart zij dat zij hem als beloning het hertogdom Brabant en haar hand zal schenken (‘Des Ritters will ich wahren’).
Als na drie achtereenvolgende oproepen van de Heerrufer zich nog steeds geen tegenstander van Telramund gemeld heeft, zinkt Elsa op haar knieën voor een gebed en vrijwel meteen daarna ontstaat er onrust onder die edelen, die met hun gezicht naar de Schelde staan. Zij zien een bootje naderen, getrokken door een zwaan, met daarin een ridder in volle wapenrusting. Onder algemene jubel stapt de ridder aan land en zendt met een welgemeend dankwoord de zwaan terug (‘Nun sei bedankt, mein lieber Schwan!’
Dan begroet hij de koning en laat Elsa plechtig beloven dat, als zij hem aanvaardt als haar verdediger, zij hem nooit naar zijn naam of afkomst zal vragen (‘Elsa, soll ich dein Gatte heiβen’). Als zij hierin toestemt, verklaart hij haar zijn liefde en verklaart dan tegenover allen die daar verzameld zijn, dat zij onschuldig is aan de haar door Telramund aangewreven misdaad.
Tegen alle raadgevingen in volhardt Telramund in zijn aanklacht en een tweegevecht is onvermijdelijk. De Heerrufer bakent met enkele Saksische en Brabantse edelen de kampplaats af en wijst allen op de regel bij een godsgericht (‘Nun höret mich, und achtet wohl’), maar het gevecht zelf duurt slechts kort. Als de vreemdeling na enkele slagen de strijd in zijn voordeel beslecht en grootmoedig Telramund het leven schenkt, barsten allen in jubel uit.
Tweede bedrijf - Het plein tussen de hertogelijke burcht en de domkerk
Bij het vallen van de nacht maakt Telramund zich op om met Ortrud Antwerpen te verlaten. Erger dan zijn nederlaag acht hij het verlies van zijn eer en hierover maakt hij Ortrud heftige verwijten (‘Durch dich muβt ich verlieren’). Zij had immers verteld hoe zij met eigen ogen gezien had dat Elsa haar broertje in een vijver verdronken had. Daarna had hij haar bovendien tot vrouw genomen op basis van haar voorspelling dat haar vader Radbod spoedig weer over Brabant zou heersen. Ortrud op haar beurt hoont hem om zijn vertrouwen in God en een godsgericht, en overtuigt hem ervan dat hij juist het slachtoffer is geworden van zwarte magie. Zij vertelt dat de vreemde ridder zijn toverkracht zal verliezen als bekend wordt wie hij is, of als hij in de strijd ook maar het geringste deel van zijn lichaam zal verliezen (‘Weiβt du, wer dieser Held’). Samen maken zij zich dan op om hun smaad te wreken op degenen die in de burcht van hun nachtrust genieten (‘Der Rache Werk sei nun beschworen’).
Ook Elsa kan de slaap niet vatten en verschijnt op haar balkon, nog vol van de gebeurtenissen van die dag (‘Euch Lüften, die mein Klagen so traurig oft erfüllt’). Ortrud spreekt haar aan en wekt haar medelijden door te zeggen dat zij als diens echtgenote misschien wel nog meer het slachtoffer is van Telramunds intriges. Geroerd belooft Elsa dat zij zelf de poort voor Ortrud zal openen en terwijl zij zich langs de binnentrap naar beneden haast, roept Ortrud extatisch de Germaanse goden aan om haar bij te staan (‘Entweihte Götter!’).
Als Elsa naar buiten komt, werpt Ortrud zich aan haar voeten en dankt haar deemoedig voor de uitnodiging om de volgende ochtend in het gevolg van de bruid aan de plechtigheden deel te nemen. Haar aanbod om Elsa de toekomst te voorspellen, waarbij zij misschien te weten komt wie de vreemde ridder is, schuift Elsa ontzet terzijde, maar meteen daarna wordt zij weer door medelijden bevangen en zij neemt Ortrud mee de burcht in. Beiden worden vanuit het donker nagestaard door Telramund, die het eerste deel van zijn wraakplannen in vervulling ziet gaan (‘So zieht das Unheil in dies Haus!’).
Al vroeg de volgende ochtend verzamelen burgers en edelen zich bij de dom. Namens de koning maakt de Heerrufer bekend dat Telramund verbannen is, en dat ieder die hem helpt, dezelfde straf te wachten staat. Aan de onbekende ridder heeft de vorst de titel van hertog aangeboden, maar deze wil slechts ‘beschermer van Brabant’ worden genoemd en in die functie zal hij ook de Brabantse troepen aanvoeren in de naderende veldtocht. Die laatste mededeling leidt echter tot gemor onder de edelen, die weinig heil zien in een veldtocht tegen een onbekende vijand. Als Telramund zich bij hen voegt, wijzen zij diens steun niet af, maar manoeuvreren hem naar een plek bij de kathedraal waar hij aan het oog van het volk onttrokken wordt.
Op dat moment kondigen pages de bruidstoet aan en onder algemene bijval schrijden Elsa en haar gevolg voorbij, maar op de trappen van de kerk plaatst Ortrud zich vóór de bruid. Zij weigert zich nog langer te onderwerpen en eist dat Elsa haar als koningdochter voorrang zal verlenen. Tevens verklaart zij dat Telramund op valse gronden verbannen is en daarbij trekt zij zowel de afkomst als de status van Elsa’s bruidegom in twijfel (‘Zurück, Elsa!’). Gesteund door vrouwen en edelen tracht Elsa haar te weerstaan, maar Ortrud laat zich niet uit het veld slaan en beschuldigt de vreemde ridder openlijk van een toverkracht die hem dwingt zijn identiteit geheim te houden (‘Ha, diese Reine deines Helden’).
Elsa wordt uit haar benarde situatie gered door de komst van de koning en haar bruidegom, maar voordat de stoet zich opnieuw in beweging kan zetten, plaats Telramund zich naast Ortrud. Hij beschuldigt de vreemde ridder van tovenarij en eist dat de onbekende zijn naam en afkomst bekend zal maken (‘Den dort im Glanz ich vor mir sehe’). De onbekende verklaart dat hij niemand verantwoording schuldig is, zelfs niet de koning. Alleen Elsa’s vragen moet hij beantwoorden. De koning spreekt hierop openlijk zijn vertrouwen uit (‘Mein Held, entgegne kühn dem Ungetreune!’) en de Brabantse edelen reageren door hun nieuwe leider de hand te drukken. Ondertussen fluistert Telramund Elsa in dat hij zich bij het bruidsvertrek zal opstellen om de onbekende te verwonden en zo zijn toverkracht te doorbreken. Voordat Elsa kan reageren, schiet haar bruidegom haar nogmaals te hulp en als zij haar vertrouwen in hem bevestigt, trekt de bruidstoet de kerk binnen.
Derde bedrijf, eerste tafereel - Een rijkelijk versierd bruidsvertrek
Edelen en hun dames begeleiden Elsa en haar bruidegom naar hun slaapvertrek en ontdoen hun van hun feestelijke kleding (‘Treulich geführt’). Als zij de deur weer achter zich sluiten, zijn de gelieven voor het eerst in staat elkaar onder vier ogen hun liefde te bekennen (‘Das süβe Lied verhallt’). Als haar bruidegom haar bij haar naam noemt, vraagt Elsa waarom haar eenzelfde geluk niet ten deel valt (‘Wie süβ mein Name deinem Mund eintgleitet’). Op zijn antwoord dat de magie van hun samenzijn veel belangrijker is (‘Atmest du nicht mit mir die süβen Düfte?’) reageert zij beschaamd, maar haar nieuwsgierigheid neemt de overhand en hij herinnert haar aan haar belofte (‘Höchstes Vertraun hast du mir schon zu danken’). Zijn verzekering dat zijn afkomst hoger is dan zij kan vermoeden, heeft echter een averechts effect (‘Hilf Gott, was muβ ich hören’). Door haar onzekerheid en de angst dat heimwee hem van haar zal wegnemen, ziet zij in een koortsvisioen hoe de zwaan hem komt halen, en uiteindelijk vraagt zij onomwonden wie hij is en waar hij vandaan komt. Op dat moment stormen Telramund en zijn ridders binnen. Elsa weet haar bruidegom op tijd diens eigen zwaard te geven en met één slag velt deze de indringer. Hij beveelt de ridders het ontzielde lichaam naar de koning te brengen en geeft dan opdracht ook Elsa daarheen te geleiden, zodat hij daar antwoord op haar vragen kan geven.
Derde bedrijf, tweede tafereel - Aan de oever van de Schelde
Gereed om ten strijde te trekken verwelkomen de Brabantse en Saksische edelen de koning, maar de opgewekte stemming wordt verstoord door vier ridders met een lijkbaar. Dan verschijnt ook Elsa, bleek en bedroefd, even later gevolgd door de onbekende ridder. Deze onthult het lijk van Telramund die hem in zijn eigen slaapvertrek overvallen heeft, en deelt de koning mee dat hij niet met hem ten strijde kan trekken. Hij is verplicht Elsa’s vraag naar zijn afkomst de beantwoorden en meteen daarna zal hij moeten vertrekken. Hij maakt zich bekend als Lohengrin, de zoon van koning Parsifal die op de berg Montsalvat de Graal onder zijn hoede heeft. Gesterkt door een bovennatuurlijke macht worden de ridders van de Graal uitgezonden om deugd en rechtvaardigheid te beschermen, maar zodra bekend wordt wie zij zijn, verliezen zij hun bovennatuurlijke kracht en moeten zij naar Graalburcht terugkeren (‘In fernem Land’).
Alle smeekbeden van Elsa blijken vergeefs en al snel verschijnt het bootje dat Lohengrin komt halen. Met spijt begroet deze de zwaan (‘Mein lieber Schwan!’) en vertelt Elsa dat na een jaar huwelijk haar doodgewaande broer zou zijn teruggekeerd. Hij overhandigt haar zijn hoorn, zijn zwaard en zijn ring als geschenken voor haar broer als die ooit terugkeert, maar als hij wil vertrekken, stormt Ortrud naar voren. Ironisch bedankt zij Elsa dat deze Lohengrin verdreven heeft, want aan het kettinkje om de hals van de zwaan herkent zij de door haar betoverde Gottfried. Lohengrin knielt neer in gebed en maakt dan de zwaan los van de ketting waarmee hij het bootje voorttrekt. De zwaan zinkt weg in het water, Gottfried stijgt eruit op en Lohengrin leidt hem naar de koning als de nieuwe hertog van Brabant, waarna hij zelf in het bootje stapt. Uit de hemel daalt een duif neer die de ketting in zijn bek neemt en terwijl het bootje snel wegvaart, zakt Elsa levenloos ineen.